Samen huilen

De schuldhulpprogramma’s van de commerciëlen, Alpe d’HuZes, stille tochten, Glazen Huis, Ferrari-rijders die kinderen met kanker ‘een onvergetelijke dag bezorgen’ – oké Nederland steekt het niet onder stoelen of banken. Een aangeslagen publieke moraal revancheert zich met exhibitionistisch élan als het theater van de voorbeeldigheid. Waarom de deugd alleen nog schijnt te deugen voor de etalage.

 

Door Bas van Putten

 

In mijn dorp zie ik groepen mensen rondjes lopen over een met hekken afgezet parcours. Ik heb de huis-aan-huisbladen gemist en dus geen antwoord op de vraag hoe recreanten in een prachtige provincie vol natuur genoegen kunnen nemen met een cirkelgang ter grootte van een atletiekbaan.

Zij lopen voor de kankerbestrijding, vierentwintig uur lang. Op de gezichten is de uitdrukking van tevreden ontbering gestanst die deelnemers van de Nijmeegse Vierdaagse zo onuitstaanbaar monter met zich meedragen onder het devies dat we het toch maar flikken met zijn allen.

Hoe loopt men voor of tegen kanker? Zo zichtbaar mogelijk, dat is de mode. En met symbolische bedoelingen. De lopers doen, stel ik me voor, de strijd na die een zieke levert. Ze persen hun offer in de mal van een verdienmodel. Sponsors en deelnemersteams brengen geld in, de wonderolie van de goede wil: dit is de stille tocht die wél verschil kan maken. De merchandise casht mee. De wandelaars dragen zweetbandjes en t-shirts met de opschriften ‘leef mee, loop mee’ en ‘beleven, meeleven, doorleven’.

Dit is de SamenLoop voor Hoop, een uit de VS overgewaaid liefdadigheidsevenement dat zich als inzamelingsactie voor onder meer KWF Kankerbestrijding als een olievlek verbreidt. Het is van nul belang of ik dat leuk vind. Tegen het goede doel is het slecht polemiseren, het heeft altijd gelijk. Respect! Des te gefascineerder raak ik door wat ik in lokale media verneem over het SamenLoop-ceremonieel. De overeenkomsten met religieuze rituelen zijn frappant.

De eerste acte van de SamenLoop is een openingsronde voor (ex-)-kankerpatiënten, door de organisatie Survivors genoemd. De site van SamenLoop voor Hoop licht het dramaturgische belang van de speciale gasten toe: deze gladiatoren genereren emotie. “De openingsronde voor survivors symboliseert de moed van de survivors en hun familie. De samenkomst van zoveel survivors is voor veel mensen een emotioneel en indrukwekkend moment”. Daarna strekken de gezonde lopers de benen voor het volgende kippenvelmoment. Dat is de kaarsenceremonie, volgens de organisatie ‘hét moment om stil te staan bij kankerpatiënten, ex-kankerpatiënten en alle mensen die de strijd tegen kanker hebben verloren. Het moment waarop iedereen beseft waar SamenLoop voor Hoop eigenlijk om draait’. Om hete tranen, vul ik de discrete hint maar in – je zet zo’n rouwplatform niet hardop in de markt als springplank voor een potje huilen. Deelnemers kunnen een ‘Kaars van Hoop’ opdragen aan een dierbare ‘die kanker heeft of heeft gehad’, oprecht geroerd de ander spelend die er altijd voor hem was. De kaarsen gaan in papieren zakken die met zand en hartverscheurende persoonlijke boodschappen verzwaard langs het wandeltraject worden neergezet.

De opschriften zijn als de tokkieklaagzangen op de herdenkingskaarten voor het huis van de vermoorde Pim Fortuyn: ‘je blijft een kanjer’ en ‘we zullen je nooit vergeten’, die toon. “Het gedenkmoment vindt plaats als alle kaarsen zijn aangestoken”. Het felste licht schijnt na afloop. Tijdens de slotceremonie wordt de opbrengst bekend gemaakt. Die indexeert de dagwaarde van de gemeenschapszin; hoe meer hoe beter. Dorpsgenoten twitteren dat ze trots zijn op hun dorp. Zoveel geld, en niet voor ons, men moet wel deugen.

Deze mensen lopen tegen kanker, maar ik zie een aanleiding de kapstok zijn voor iets veel groters. De veronderstelling vindt steun in de diversiteit aan vergelijkbare publieke rituelen met eenzelfde vangnetfunctie voor gevoelens van verdriet en frustratie die zo sterk zijn dat ze zich op elk doelwit willen richten; de stille tocht tegen zinloos geweld, de SamenLoop tegen kanker, de Gay Pride tegen homodiscriminatie, herdenkingen van bus- en Bijlmerslachtoffers tegen de wreedheid van het noodlot in het alleralgemeenst, de rouwpetities – dito.

De opmars van die rituelen zegt iets. Je kunt de manifestaties exhibitionisch noemen; je kunt ook zeggen dat het onbehagen zo omvangrijk is dat het elke gelegenheid om zich te uiten aangrijpt. Dan past het niet om hoon te storten over de zuiverheid van de intenties. Dit is een tijd waarin teveel gebeurt wat we niet willen, en waarvan we niet konden geloven dat het ons zou overkomen. Er moet verband bestaan tussen de depressie van de crisis, moeder van de onmacht, en de demonstraties van standvastigheid tegen de boze krachten die we niet beheersen; ziekte en dood, de angst voor de toekomst, de kopschoppers, de druk waaronder mensen leven met hun onderwaterhypotheken, hun woekerpremies en hysterische benzineprijzen. Ze willen een paradijs terug dat kapot is, en niet speciaal door kanker. Ik denk dat ze kwaad zijn. Op zoveel, op iedereen. Op de politie die nooit komt, de politiek die hun belastingcenten wegsluist naar de Grieken. Ze willen Teeven laten boeten voor de doodzieke Renata, dat CEO’s van banken en van woningcorporaties in hun graaiersvuur verbranden. Diep in hun hart willen ze Rijkman Groenink een blauw oog slaan en de ruiten ingooien bij het designmeubelkantoor van het CJIB, dat voor de kleinste snelheidsovertredingen hun door de fiscus aangevreten huishoudpotten plundert. Maar dat uitgezaaide ongenoegen komt in het ernstigste geval niet verder dan het kieshok waar de stem op Geert een windmolengevecht blijft tegen het correctief van de gemene deler. De revolutie durven ze niet aan. Dan verliezen ze alles. Denk aan de klokkenluiders.

Dan maar meespelen. Dan maar een vuist tegen de kanker, dat is ook strijd maar op een politiek neutraal terrein, en door de ruimte voor beschadigde gevoelens echte troost. In het angstvacuüm waarin ze zijn terechtgekomen is de gestileerde groepsemotie uitlaatklep en smeermiddel voor een verscheurde samenleving; het zijn hun allereigenste verdriet en hun versmade goede wil die mensen uitvergroten tot model van een verloren harmonie. Onder de veilige paraplu van het goede doel doen ze elkaar voor hoe de wereld weer moet worden: menselijk, gezond en vredig, tolerant, voorbeeldig. De lopers van de SamenLoop spelen een droom die uit moet komen. Zo worden ze met vele anderen de steunpilaren van een nieuwe moral majority die een vergelijkbare bedreiging voor de geestelijke vrijheid vormt als eertijds in Amerika de christelijke rednecks met die geuzennaam.

Het is niet eenvoudig er de vinger op te leggen. Het is geen ideologische beweging van een identificeerbaar smaldeel maar een breed gedragen denkklimaat dat wordt gekenmerkt door de systematische bestrijding van bad vibes, en van verdriet alleen het mooiste wil bewaren; de tranen en de hoop op beterschap. Het is de schuilplaats die de kerk in bange tijden was, en de bewoners zijn vluchtelingen. Ze streven in alle onschuld naar het goede, maar ze steunen de repressie van een wereldbeeld waarin uit escapisme slechts geduld wordt wat het wil geloven. Hun motto: nooit meer rottigheid. Geloof, hoop, liefde. De impact van die nieuwe wind is groot. Half Nederland speelt mee, van links tot rechts in alle standen.

Welkom in het theater van de voorbeeldigheid, gespeeld in een samenleving waarin iedereen zo zichtbaar mogelijk het beste voor de ander schijnt te moeten willen. Als een goedaardige pest drong de showing-off van goede bedoelingen tot in de haarvaten van de maatschappij; kansel en politiek, media en bedrijfsleven. Op televisie heeft het docusoap-amusement een onwaarschijnlijk verbond gesloten met het welzijnswerk. Met wat op buurt- en wijkniveau nog aan het paradijs op aarde schort maken de mediators van de hulpprogramma’s als heilsoldaten korte metten. Bonje met de buren? Wij van RTL en de Rijdende Rechter komen je redden. In Het Familiediner lijmt Bert van Leeuwen gebroken gezinnen. En in Het Spijt Me “geeft John Williams mensen weer dat duwtje in de rug dat ze nodig hebben om elkaar – soms na lange tijd – weer in de armen te sluiten”. Onderdeel van de permanente goednieuwsshow is de koketterie van het bedrijfsleven met positieve waarden – duurzaamheid, gezondheid, fair trade, arbeidsvreugde, ‘goede bacteriën’. Zie de weerzinwekkend gemotiveerde brouwers in de Brand-reclame verliefd naar hun hop kijken, zie de juten tas van Albert Heijn zich ‘puur en eerlijk’ noemen, zie een zorgorganisatie met de naam Icare ‘liefde voor mensen’ als kernwaarde formuleren. Publieke omroepen pluggen de mensenmens en zijn verdraagzaamheid, en ze preken verschilligheid.

De bakermat van dit theater moet de kerk zijn. Nadat zij hel en verdoemenis uit het intimidatiepakket had geschrapt, werd zij een boterzachte sociëteit van hoop en naastenliefde, met kaarsen en een stukje solidariteit met zieken, hongerigen en verdrukten. Het was zuivere Vergangenheitsbewältigung wat je als scholier op een linksige Roomse scholengemeenschap in de jaren zeventig met potten honing geserveerd kreeg, met de kruistochten van de geschiedenisles nog ronkend in de oren. ‘Ik geloof in mensen’, sprak mijn leraar godsdienst, exponent van de vredesbeweging, ons veertienjarigen toe. Dat moest, om te voorkomen dat het oorlog werd. Dat was het vroeger ook omdat de mens niet meer geloofde in zijn medemensen.

Toen God toch bijna dood was, had de politiek lang genoeg met zijn gezellen meegekeken om te weten hoe je blijde boodschappen verkoopt; door het kwaad te bannen met een glimlach. Zij hield de positivo-fakkel brandende met opbouwend vermanende slogans als samen verder en Fatsoen moet je doen, geweekt in de gemeenschapsretoriek van blije burgers die samen aan de slag gaan voor een nog betere toekomst. Die evangelische opgeruimdheid, ooit het monopolie van de christendemocraten, infecteerde gaandeweg het gehele ideologische spectrum van ChristenUnie tot sociaaldemocratie. De breedte van de stroom markeert de reikwijdte van het verlangen dat zich uitdrukt in de mantra samen. Van de PvdA moeten we samen werken aan een duurzame toekomst, volgens het CDA kunnen we samen meer, en voor wie het dan nog niet begrijpt legt Sybrand Buma uit dat Nederland het grote doel als ‘prachtland’ voor het grijpen heeft. Hij bedoelt dat wij toppers zijn, net als de Brand-jongens. Het moet. Alleen als dat zo is kunnen we samen het kwaad opruimen, en dat gaat lukken als die toppers allemaal besluiten het te willen.

Daarom moet het gezellig blijven. Uit de Nederlandse dialoogcultuur spreekt de neurotische angst voor de botsing, voor verraad aan het in wijwater gedoopte zelfbeeld. De nieuwe dominee wil, al is hij God vergeten, zijn arcadische illusies niet bezoedelen met die verdomde scepsis. De sociaaldemocratische politicus die de angst voor de Islam zorgelijk noemt, schopt als missionaris Buma van de preekstoel. De vraag of en in welke mate die angst gerechtigd is mag het debat niet vervuilen, zelfs als hij bereid is hem te stellen; polarisatie is de ongewenste dissonant. Hij beduidt dat hij de angst niet wil, niet of hij terecht is. Of het niet bizar is dat een geloof zo het discours bepaalt, dat hoor je hem niet vragen. Hij moet de boel wel bij elkaar houden, ok? Draagvlak wil hij, opdat de lijn niet breekt. Het gebod is zo dwingend dat Hans Teeuwen niet hardop genoeg meer durft te zeggen dat de broeders van de moordenaar van Theo clowns zijn, wat ze zijn; despotische querulanten die met de vrijheid waar ze uiteraard in delen als de weerga moeten leren hun geloof weer op te bergen waar het hoort, in de allerindividueelste privésfeer. De spot die ze verdienen reserveren we voor onze autochtone fundamentalisten, die we in de Bible Belt hun kinderen niet laten inenten. Die zijn als doelwit niet controversieel en toch al ongeschikt voor de verzoeningsbühne. Het zijn niet de vreemdelingen die we met uitgestrekte hand onze grootmoedigheid kunnen betonen. Het zijn onze gekkies maar, geen troefkaarten voor een happy community waarin vijanden elkaar voor de camera de hand reiken, hun culturele tegenstellingen van de vergadertafel polderen, samen de wijk aanpakken en het huisvuil opruimen. We doen het ook nog, zie www.supportervanschoon.nl. United we stand.

Het is levensgevaarlijk. Wij leven een blije Amerikaanse feelgood-familiefilm, lief en leed, waarin we zelf de goeien zijn. De samenleving lijkt gevangen in de leuzenfictie van een utopie die zij met political correctness van de hoogste orde dermate bedreven naspeelt dat het echte leven op een boze droom gaat lijken. De nieuwe pseudorealiteit doet aan de sociaal-realistische propaganda van de Sovjets denken. De arbeiderskolonnes van de Sovjet-posters zijn de rotten van drie die en plein public opmarcheren naar een betere toekomst Zonder Kanker. Ze zijn de dansende travestieten van de Canal Parade, die als demonstratie van verdraagzaamheid pas telt als hij in Nieuwsuur door de Amsterdamse grachten is geschoven, met toppers van ministers wuivend op het dek. Als iets de moral majority afstoot aan Geert Wilders is het veel meer dan zijn standpunten an sich zijn cynische verraad aan dit toneel van schone schijn. Zijn wereldbeeld bestaat nog middeleeuws uit klootzakken en daders, andere middeleeuwers die we uit wegkijkend respect niet meer zo mogen noemen. Je zou hem er zo langzamerhand voor willen prijzen. Je gaat in Nederland van het kwaad houden, zo onberispelijk doet iedereen.

Zou de wortel van dit kruid zijn dat moraal voor Nederland sinds 1945 een luxe is? In tijd van oorlog heb je er wat aan, dan moet je kiezen. Nu hangt de rechte rug er maar zo’n beetje bij, want durven doet hij toch niks meer – in de consensusdictatuur waarin het kwaad steeds net niet erg genoeg wordt voor een dwingende morele toetsing kan hij meebuigen. Zo’n ethisch vacuüm verlost de mensen niet van hun behoefte om te zien en laten zien dat hun rechtschapenheid nog functioneert, zo pijnloos mogelijk, en op die voedingsbodem laat het politiek neutrale weldoenersbedrijf verraderlijk fictieve bloemen bloeien. Collecteren en gireren – veel te anoniem, de stille deugd ziet niemand. Laat zien, draag uit, toon betrokkenheid, loop in het volle licht, stuur Pipo naar de ziekenhuizen. “Cliniclowns: gun nog meer zieke kinderen de kracht van een lach”. Of laat Ferrari-rijders ze ‘een onvergetelijke dag bezorgen’ op circuit Zandvoort, en kijk die ruwe bolsters smelten voor de glimlach van een kind. Daar loopt het spoor dat naar de SamenLoop voor Hoop leidt. Toen dat pad was ingeslagen moest alleen de schaamte voor de zelfvergroting nog van tafel.

Nederland kent een lange traditie van publieke liefdadigheid, die sinds Open het dorp!’ met Mies Bouwman naar de televisie oversloeg en een reeks van Nationale Hulpacties voor noodgebieden ontketende. De Nationale Actie voor de tsunamislachtoffers van 2005 is me bijgebleven. Ik hoorde een lied van de Artiesten voor Azië en zag Balkenende in het telefoonteam voor de giften, ‘persoonlijk diep geraakt’, maar men hield nog maat. Mij viel op hoe de voorbeeldsterren van het Artiestenlied – de Borsato’s en de Bloemens, de usual suspects – met hun voorbeeldfunctie worstelden. In de tekst van het artiestenlied proefde je een schroom die ze opiniepeilden door hem Hollands in de groep te gooien met de zin die defensief de dialoog voorkauwde met de recensenten: “Ik zal niet doen alsof ik beter dan een ander ben”. Men liet lachwekkend onbeholpen zien dat het vertoon nog knaagde. Die grens zijn we nu over.

De kerk heeft zich als SamenLoop verplaatst naar de publieke ruimte. De overeenkomsten zijn treffend. Er zijn mystieke rituelen, dingen met kaarsen, en men brengt een offer: afzien. Er is geloof, in hoop. Er zijn echte martelaren, de survivors. Er is de moed dat we niet opgeven. En door de achterdeur van de verlichting keerde het exorcisme terug: het rookt de kwade cellen uit met goede wil. Samen krijgen we kanker de wereld uit.

Er is nog zo’n feest en dat is de Alpe d’HuZes, een jaarlijkse zesvoudige fietsbeklimming van de roemruchte Tour de France-berg zonder z. Van ’t Hek, de messen zijn geslepen, heeft hem bijtijds gebucklerd tot de kankerberg. HuZes: zes keer op en neer. De insteek, wederom: het grote afzien, bloed en tranen, het meelijden als medelijden. Voor het oog van de camera, met en vóór survivors, die zo nodig achterop de tandem van hun dierbare en met de chemo in het bloed naar boven fietsen, de dood verachtend. Het volk op de berg, namens de zieken en gevallenen: “Ik doe dit voor m’n vriendin, die hep zoveel moeten afzien, ik moet dit gewoon kunnen”.

Triumph des Willens.

Op de website van Alpe d’HuZes, opgevenisgeenoptie.nl, zie ik Frank du Mosch de deelnemersbijeenkomst 2013 presenteren. Hij zegt: “We zijn hier natuurlijk met een doel, namelijk fietsen, en aanmoedigen en elkaar omarmen en vooral elkaars verhalen te delen, dat is misschien nog wel het aller- allerbelangrijkste van wat we hier doen; dat we elkaar ontmoeten, en dat we met elkaar in gesprek zijn”.

Hoe krijg je al die pastorale gemeenplaatsen zo soepel in één zin? Het moet je taal zijn geworden. Het is de metataal van de voorbeeldigheid. Niemand is kwaad op niemand. Iedereen deugt.

De finale grens naar het Elysium wordt overschreden tijdens de “bezinningsavond” met Coen van Veenendaal, ambassadeur van HuZes en neo-positivo van de harde lijn.

Hij loopt ‘de hele dag’ met de koude rillingen over zijn rug.

“Kippenvel, de tranen stromen over m’n wangen, continu, ik heb zo verschrikkelijk veel respect voor iedereen die dit mogelijk maakt”.

Hij wil vier stappen met ons maken, zegt Van Veenendaal:

Een: “Stilstaan bij al die mooie mensen die achter zijn gebleven”.

Rouw.

Twee: “Hoe ga je om met die ziekte”.

Moed.

Drie: “Daarna gaan we door naar hoop. We fietsen allemaal voor hoop”.

Hoop.

Vier: “En tot slot knallen we het dak eraf”. ‘We’ gaan ‘die berg opvreten’.

Geloof.

Na een muzikale onderbreking is Coen terug, nu helemaal priester. “Is het dan een illusie dat we hoop hebben? Dat zou verschrikkelijk zijn”. Maar: “Wat wij hier met elkaar doen is het antwoord; de liefde, de saamhorigheid”. Want: “Het geld is niet het antwoord, het antwoord is wat jullie laten zien; dat het mogelijk is om het onmogelijke te doen”. Daarvoor is hun berg, hun gang naar het dak van de wereld. “Dichter bij de hemel kom je niet, omdat je bovenop het dak van de aarde zo verschrikkelijk nadrukkelijk de connectie met je dierbare voelt dat het bijna tastbaar is”.

Aha.

“Ik wil jullie ongelooflijk veel plezier, en warmte en emotie wensen”. “Geniet, en wees lief voor elkaar”.

En daar gaan we. Omhoog, ontelbare kanjers. Hartje: “Die top ga ik voor jou halen”. Daar staan wij, zwetend naast de goden.

Het is een onhoudbare positie. De echte helden sterven toch. Wij hebben geld en tranen, en hoop die geen patiënt geneest. Gelukkig hebben niet alle stakkers kanker. Onze pijn mag er ook zijn, onze prachtige, nobele pijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

Standaard

2 gedachtes over “Samen huilen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s